Lieve papa, vandaag zou je 100 geworden zijn. Wat een vreemde gewaarwording is dat. Op 10 augustus 1987, dertig jaar en vijfenzestig dagen geleden, ben je van ons weggegaan. Ik heb je toen niet kunnen eren, en daarom doe ik dat nu.

“Kom Carineke kom Carineke kom. Gij appelsienendief, ik heb u toch zo lief”

          

Ik zit op je schoot, mijn hoofdje tegen je borst. Slaperige kleuter op haar lievelingsplekje. De caramelgeur van Engelse pijptabak. Het snelle inslaan van de toetsen op je Royal Arrow-schrijfmachine is een veilig geluid. Tikke-tikke-tikke-tikke-tik. Op de achtergrond klinkt Bach. Dat moet een van mijn vroegste jeugdherinneringen zijn. Er stonden verschillende bureaus in je werkkamer, vol open boeken waarin je opzoekwerk deed, leesplekjes (je schreef met potlood in fijn handschrift altijd ideeën en opmerkingen in de marge) en ruimte voor je fototoestellen en schrijfmachine. Veel planten ook. Je cactuscollectie haatte ik grondig. Die stonden in potjes op de vensterbank waar ik jou als kind vaak stond op te wachten, over de straat uitkijkend of je Volkswagen Kever al te zien was. Auto’s tellend tot je thuis kwam van een van je dorpsreportages voor het Rijk der Vrouw, waar je zo om gekend was. Tot op de dag van vandaag haat ik de fijne cactushaartjes waarlangs mijn kleine vingers streken en die er met een pincet moesten worden uitgehaald. Rond je bureau was plek om te spelen, en ik hield je vaak gezelschap met een hele horde poppen en beren die op theevisite kwamen.

Je werd geboren in 1917 tijdens de eerste wereldoorlog. In de tweede werd je krijgsgevangen. Mager en met een kaal hoofd keerde je terug uit Duitsland naar onze mama, die je nauwelijks herkende. Door de oorlog heb je niet kunnen verder studeren. Maar je werd autodidact, in boeken is alle wijsheid van de wereld te vinden. En boeken waren je belangrijkste bezit. In 1946 werd mijn zus geboren, ik kwam bijna tien jaar later. Nakomertje, maar zo gewenst.

Je begon al vroeg als journalist bij de Volksgazet, waar ook mama werkte. Later schreef je voor ABC en stapte je over naar het Rijk der Vrouw, een van de bekendste Vlaamse tijdschriften in de jaren ’50-’60. Je werkte thuis, ging veel op reportage en één keer per week bracht je al je artikels naar de hoofdredactie in Brussel, een uitstap die ik vaak heb meegedaan. Je haalde ons dan na afloop op in Le Bouquet Romain, een Italiaans ijssalon in de Nieuwstraat waar mama een ijsjesverslaving had opgedaan. Je kende als geen ander het vlakke land van Jacques Brel, want in elk dorp zocht je in de archieven naar merkwaardige momenten in de geschiedenis, en je praatte met de gemeentesecretaris, de pastoor, de schoolmeesters en met iedereen die je een rijk beeld kon geven van het leven in het Vlaamse dorp. Maar je schreef ook over cultuur, de meesterwerken van de schilderkunst en historische figuren, in de paginalange bijdragen die je bracht, ter educatie van je – vooral  – vrouwelijke lezers.

Je bent je hele leven niet alleen journalist maar ook auteur geweest. Al vroeg schreef je gedichten en teksten voor het Nieuw Vlaams Tijdschrift van Herman Teirlinck. In die periode sloot je diepe vriendschappen met o.a. Hubert Lampo, Ivo Michiels, Rudolf Meerbergen en Tone Brulin. Zij kwamen vaak van de gastvrijheid in ons huis proeven. Ik kreeg er zo vele nonkels en tantes bij die ik avonden lang zag lachen en filosoferen, dansen, zingen en eten van de buffetten waar mama dagenlang aan had gewerkt. Het was één groot warm bad vol cultuur, in al haar vormen. Je was een wandelende encyclopedie. Als ik op school een feit uit de geschiedenis niet begreep, kon je daar uren over vertellen, hele dynastieën kwamen voorbij. Je luisterde liefst naar Mozart en Bach, naar Brassens en Mouloudji, en op de oude radio naast de eettafel in de veranda naar BBC. Maar je kon je net zo goed amuseren met de nieuwste van de Strangers of Stafke Fabri, plaatjes die thuis opdoken toen mama de tienerrubriek in Het Rijk der Vrouw voor haar rekening nam. Wat werd er gelachen ook! Had je op TV Monty Python’s Flying Circus gezien, dan kwam je weken later nog met een silly walk de kamer binnengestapt. En af en toe fladderde je door de gang als een gek aapje. Je maakte zelf een sjoelbaktafel waarop we wedstrijden speelden, tot we plat lagen van het lachen. Je liep achter mij aan en probeerde me te vangen doorheen alle met elkaar verbonden kamers van het grote herenhuis, trap op en af, rond de tafel, door de deur… Altijd lachen en dikke pret. Die lach van jou en van mama zit nog altijd in alle vezels van mijn lichaam vast. De liefde ook.

            

Tafereel in de keuken. Mama bereidt het eten en ik hang aan haar rokken. Jij komt van achter je werktafel naar beneden en neemt haar vast. Ik kruip tussen jullie in en zo blijven we minutenlang staan en ‘laden onze accu op’, zoals je het steevast noemde. Warme gloed van liefde die nooit meer overgaat. Je zette mijn voetjes ook vaak op jouw voeten en stapte met mij “naar Brussel” door de lange gang naar de voordeur. En helemaal terug. Liefde was geen werkwoord. Het zat in de lucht die we ademden, in het gras waarop we liepen, in de blaadjes van de grote Lindeboom.

Eén maand per jaar verplaatste dat hele liefdesnest zich naar Nieuwpoort. Dan reed jij voorop met al jullie kantoormateriaal en de koffers in de lichtgele Volvo Amazone die je ondertussen had gekocht. Daarachter mama met de Volkswagen vol strandspullen, alle poppen en beren en ik op de achterbank. Jullie gingen gewoon door met werken daar, maar tijd en zin om te spelen was er altijd. Gerda, die jong getrouwd was en in Gent woonde, kwam vaak mee delen in de pret. Je entertainde ons, gaf spits commentaar op alles wat bewoog op de dijk voor ons raam en maakte woordgrapjes. Zo noemde je een nette man die dagelijks in tennisuitrusting met een Jokari stond te tennissen steevast geamuseerd ‘Tennisser Williams’.

          

Je was een knappe man. In mijn kindertijd een elegante veertiger, en je jeugdfoto’s in ons familiealbum tonen een begeerlijke jonge dandy, zo uit een film gestapt, strak in het pak naar de nieuwste mode van eind jaren ’40 en begin jaren ’50. Mama, die in die tijd de secretaresse was van Paul-Henri Spaak, was toen vaak in Parijs en Straatsburg voor de oprichting van de Europese beweging. Jij zorgde voor Gerda op het thuisfront en werkte aan je eigen carrière. Ik hou van de foto’s waarop je aan het werk bent met een van je fototoestellen, scherpe blik in de lens. Journalisten waren toen ook fotografen, zoals ze dat nu ook weer geworden zijn.

                  

Tekst en foto’s vormden een geheel in je reportages. Gerda en ik werden dikwijls opgevoerd in Het Rijk der Vrouw in een rubriek waarin je allerlei huiselijke ditjes en datjes besprak met je lezeressen. In historische kleding in het Museum van Folklore, in bad over shampoo die in kinderogen prikte, in de tuin met een mand vol fruit, op het podium in de kleuterklas. Zelfs mijn geboorte was een artikel waard. Eigenlijk was je toen een blogger avant-la-lettre, veertig jaar vóór de eerste computers hier hun intrede zouden doen – dat heb je niet meer kunnen meemaken – maar net zo goed vertellend over de dagelijkse beslommeringen in je gezin, met tutorials, en dat in een tijdschrift met een zeer grote oplage. Met je fototoestel legde je ook alle belangrijke momenten van mijn jeugd vast. In de donkere kamer volgde ik dan mee het magische proces, dat je als een alchimist beheerste: van het filmrolletje tot het verschijnen van de negatieven en – dat was spannend – de proefjes en de uiteindelijke foto in het ontwikkelbad.

                

                          

Tafereel in de tuin. Ik vier mijn veertiende verjaardag. Start van de zomer, zwoele lucht. Mama heeft de hele avond hapjes geserveerd en zelfgemaakte punch geschonken voor mijn vrienden, die na het dansen in de huiskamer zijn afgezakt naar de tuin. We gaan in een kring zitten op het gras. Jij trekt naar boven, haalt je fotolampen en legt verlengdraden doorheen de tuin, om ons licht te geven. Je komt erbij zitten en begint samen met ons te filosoferen over het leven. Je vertelt verhalen en iedereen hangt aan je lippen. Je bent mijn held.

               

Die tuin, daar moet ik het ook over hebben. De tuin die Gerda nog altijd met veel passie verzorgt, sinds ze in het huis is komen wonen. Jij gaf ons de liefde voor tuinieren en voor de natuur. Telkens wanneer je vastzat in een tekst of urenlang achter je schrijfmachine had gezeten en zuurstof nodig had, trok je je laarzen aan en begon in de tuin te werken. Ik genoot ervan je te zien snoeien, zaaien, spitten, planten… en mocht je helpen oogsten als het kersen- of perentijd was. Samen trapten we de stekelige bolsters open van de tamme kastanje. Als de rozen in volle bloei stonden, was de tuin een paradijs. De schommel zat dan onder een wolk van rode roosjes, en de borders glommen van trots. Nu nog ruik ik de zoete geur van jasmijn, die je wel eens in mijn haar stak als ik jarig was. En in de lente nam ik telkens een groot boeket meiklokjes mee naar de juf op school. Die geluksmomenten, daar blijf je een heel leven op drijven. Die gaan voor altijd met me mee.

Stilaan werd je meer schrijver dan journalist. In de archieven in Limburg was je de geschiedenis van de Bokkenrijders op het spoor gekomen. Je begon aan het schrijven van ‘Ze reden bij nacht’. Later volgde een boek over het occultisme in de 19e eeuw. En je was aan een lange historische studie bezig over de Etrusken. Die is nooit afgeraakt. De dood heeft je ingehaald.

          

Dit zijn onze laatste foto’s samen. Met mama en Gerda toen je 65 werd, en enkele jaren later voor de kast in je laatste thuis. Je lacht, en ik lach. En ik weet niet dat je er binnenkort niet meer zal zijn. Op 6 juli 1987 ben je samen met mama in het Stuivenberg-ziekenhuis opgenomen. Allebei stervende, kanker. Het laatste lange gesprek dat we samen gehad hebben ging over schrijven, en over Mozart. En hoe je voelde dat je veranderd was. Je noemde je ziekte een longemphyseem, stopte je kop in het zand. Zoveel jaren veel te veel gerookt, jezelf opgerookt. Longkanker is onverbiddelijk. Op 10 augustus, vandaag dertig jaar en vijfenzestig dagen geleden, heb je je ogen voorgoed gesloten. Mama stierf vier maanden later, op jullie trouwdag in december. Je geloofde niet in een hiernamaals. Ik troost me met de gedachte dat jullie in ons hart voorgoed met elkaar en met ons verbonden zijn.

Papa, zonder jou en zonder mama zou Kom op tegen Kanker nooit hebben bestaan. De actie, die anderhalf jaar later en na veel zwoegen voor de eerste keer het licht heeft gezien, is mijn eerbetoon aan twee uitzonderlijke mensen. Mensen die de kunst van het leven hebben beoefend op zo’n inspirerende en liefdevolle wijze dat ze in mij en mijn zus en in alle mensen die hen mochten kennen, miljoenen zaadjes hebben geplant. Ik beloof je dat ik die zaadjes zal blijven uitstrooien zolang ik leef. En dat ik ze doorgeef aan die uitzonderlijke jongen die jouw wijsheid en liefde en humor niet heeft mogen ervaren, omdat hij te laat geboren is. Omdat jullie te vroeg gestorven zijn. Mijn zoon, je kleinzoon in wie ik veel van mijn ouders herken. Omdat helden nooit sterven. Omdat zaadjes van liefde altijd blijven bestaan.

Je Katje.

 

 

 

Advertenties

Join the conversation! 1 Comment

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Categorie

Geen categorie

Tags

, , , , , , , , , , ,